Gérouville werd opgericht door de abdij van Orval en bleef hier afhankelijk van tot de Franse revolutie (overeenkomst tussen de graaf van Chiny en de abt van Orval in 1258).
Orval lag in het centrum van de streek tussen Chiny, Ivoix (Marignan), Montmédy en Virton. De inval van de Noormannen in de negende eeuw had de oorspronkelijke bevolking verdreven of uitgeroeid.
In 1070 schonk graaf Arnold II van Chiny de plaats aan enkele monniken. Rond 1108 verving aartsbisschop Bruno van Trier hen door kanunniken, die op hun beurt op 9 maart 1131 vervangen werden door cisterciënzer monniken.
De abdij werd door brand verwoest in 1251. De abdij bestond uit tal van eigendommen in de rechtsgebieden van Gérousart (het huidige Gérouville), Saint-Coweit (het huidige sécuvé of séquewé), Luz (in 1545 verdwenen door de samenvoeging met Gérouville) en Mortshomme.
In 1258 sloot Gérouville zich aan bij de wet van Beaumont.
Op pinksterdag koos de gemeenschap de burgemeester, zijn plaatsvervanger en twee schepenen. In mei 1273 verbonden Lodewijk V, graaf van Chiny en zijn echtgenote Jeanne de Blamont, zich ertoe in Gérouville een markt te vestigen, die elke donderdag gehouden werd.
In 1538 verscheen in La Soye, waar voorheen een zagerij stond, een metaalindustrie. De meren zorgden dat de fabriek over een aanzienlijke watertoevoer beschikte. Kolenhandelaars, houthakkers, iedereen leefde goed onder de welvaart van Gérouville.
De pest en de Kroaten dunden in het rampjaar 1636 de bevolking van Limes uit. In de registers van de abdij van Orval werd in 1659 geschreven: "Het dorp Limes is volstrekt verlaten, nadat het in de as gelegd werd in 1636 en sindsdien niet meer bewoond werd." Op 7 november 1659 werd de Vrede van de Pyreneeën ondertekend tussen Frankrijk en Spanje. Gérouville dat onder het provoostschap viel van Montmédy werd aan Frankrijk toegevoegd.
In 1641 werd Mesire François Rauyer, pastoor van Gérouville, belast met de parochie van Meix tot 23 juni 1647. Hij doopte er 25 kinderen en voltrok er 2 huwelijken. In Gérouville werden tijdens dezelfde periode 88 kinderen ten doop gehouden en vonden er 15 huwelijken plaats. Uit deze vergelijking blijkt in welke omstandigheden Meix verkeerde na dit trieste jaar 1636.
In 1678 werd het kasteel van La Soye gebouwd door Bonneau, eigenaar van de smeltovens, heer van Breux. In het begin van de achttiende eeuw was Gérouville een voorpost van Montmédy (versterkt door Vauban).
In 1709 stierf Jean Lallement, ook wel Jan van Parijs geheten, bevelhebber van een schans. Er bevond zich nog een andere schans bij het ertsnest van Luaine aan de grens van Sommethonne.
Sinds de toevoeging van Gérouville aan Frankrijk, kwam Limes dankzij de industrie van La Soye en Orval weer tot bloei en werd het gescheiden van Jamoigne en kreeg het bij besluit van de bisschop van Trier zijn eigen kerk. Op 16 mei 1769 kwam Gérouville weer in Nederlandse handen en valt het onder Oostenrijkse heerschappij. Op 23 juni 1793 werd de abdij van Orval geplunderd, geschonden en verbrand, waarna Notre-Dame d’Avioth aan de beurt was.
In het jaar III van de Republiek, dat wil zeggen in 1796, werd het meubilair van de kerk geveild.
In 1823 vond er een minifusie van de gemeenten plaats: Gérouville, Limes en de smeltovens van La Soye werden in één gemeente samengevoegd. De smeltovens van La Soye werden in 1858 definitief gedoofd als gevolg van de concurrentie. In 1830 maakte België zich los van het Koninkrijk der Nederlanden.
Gérouville = Gérousart, buurtschapsnaam vóór de bouw van het dorp op de huidige plaats. La Soye = "souie", zaag in de streektaal. (Abt N.J. LENOIR)