Neufchâteau. Wat weet de iets of wat goedingelichte bezoeker ervan? Het stadhuis, het gerechtshof, de decanale kerk, en misschien de 'Griffon'-toren, met haar achthoekig dak, haar leistenen muren, en haar oubliette, enig overblijfsel van het middeleeuws slot dat zijn naam aan de stad gegeven heeft. Misschien heeft hij ook reeds zijn genoegen gevonden in een wandeling door de smalle hellende straatjes, die op schilderachtige wijze afzakken naar het beekje van Neufchâteau of naar de wijken van 'le Faubourg' of 'le Terme', vroeger ontstaan buiten de omheining van het kasteel en de rots waarop het zich had geankerd.
Doch, wie graag de zaken van naderbij wil bekijken, zal een aantal karakteristieke gebouwen en constructies ontdekken, die een betere waardering verdienen dan wat ze meestal te beurt krijgen. Laat ons even door het stadje wandelen, en vertrekken we van de plein van het vroeger kasteel. We heffen onze blik naar het fronton van de Sint Michielskerk, in gele zandsteen (1844), en onmiddellijk stellen we een verwantschap vast met deze van het stadhuis (1858, architect Bouverie), en van het gerechtshof (1886, architect Vande Wyngaert). Zoals vele andere herenwoningen van Neufchâteau, is de neo-classicistische stijl (eind 18e ⤓ begin 19e eeuw) overwegend in de burgerlijke architectuur van deze arrondissementshoofdplaats. Andere getuigen van deze stijl zijn het koninklijke atheneum (1858) in het centrum, en de gevangenis (1872, architect Englebert), waarvan het fronton nu verdwenen is. Ze doen de vormen van de klassieke oudheid herleven, ter verheerlijking van het gezag, het politiek gezag, het financieel of het gerechtelijke gezag.
De recente onafhankelijkheid van België had in Neufchâteau een administratieve activiteit geconcentreerd, en deze architectuur heeft dan ook zeer sterk het burgerlijk karakter van stad beklemtoond, karakter dat de stad nog steeds kenmerkt. Het gerechtshof, in renaissance-achtige eclectische stijl, is het hoogtepunt van deze stijl, met zijn hoge kalkstenen onderbouw, en zijn imposante colonnade waarop het fronton prijkt met het monogram van Leopold II.
Onder de burgerhuizen die tot deze architectuur behoren, of in haar trant gerealiseerd werden, noemen wij het hotel-restaurant ⤜La Potinière⤝, met zijn geschilderde Louis XVI-gevel, en verder het nr 13 chaussée de France, allebei uit de tweede helft van de 19e eeuw. De pastorij, tegenover de kerk, werd insgelijks in neo-klassieke stijl verbouwd, hoewel ze uit 1714 dateert, en voorheen het provoosthuis van de graven van Rochefort was. Typische patriciërswoningen zijn in Neufchâteau ook nog aanwezig, soms omgevormd tot handelshuizen of administratieve gebouwen. Hier citeren we de imposante gebouwen van de Handels- en van de Jeugdrechtbank, op de place de la Foire, de huizen nr 13 en 31 van de rue F. Roosevelt, daterend uit het einde van de 18e eeuw, of het nr 12 van de rue L. Burnotte (apotheek), uit heb begin van de 19e eeuw.
Onder de meest merkwaardige gebouwen die de stad bewaart, sober en sierlijk tegelijk, moet het huis Bourgeois gemeld worden, tegenover het stadhuis, en eigendom van de stad. Het sterk hellend dak verwijst ons naar de 18e eeuw, maar de vensteromlijstingen doen weleer denken aan een eeuw later. Daarentegen is het café ernaast hoogstwaarschijnlijk uit de 18e eeuw, zo niet einde 17e eeuw.
We hebben het tot hiertoe hoofdzakelijk gehad over de burgerlijke architectuur. Het zijn de meest voorkomende voorbeelden ervan, door de rol die Neufchâteau als commercieel knooppunt speelde. Laat ons nochtans niet vergeten dat men in Neufchâteau leerlooierijen had, dat men er oliemolens had, of bloemmolens, dat men er het hout bewerkte, dat men er de leisteen dolf. Hoewel de industriële activiteit niet de hoofdactiviteit was, heeft ze nochtans enkele interessante sporen achtergelaten. Zo hebben we het nr 13 rue de la Barquette, oude droogloods voor de boomschorsen, nu enigszins verbouwd, doch samen met de oude runmolen van de leerlooierijen, toch nog een interessante getuige van industriële architectuur.
De streek van Neufchâteau telde vroeger niet minder dan elf leisteengroeven, waaronder deze van Warmifontaine, nog steeds in werking. Ten oosten van de stad, niet ver van moderne verkavelingen, bevindt zich de plek genaamd 'le Chaurnô', een oude leisteengroeve, waarvan de gebouwen heraangelegd werden tot vakantieoord en vergaderlokalen. Deze groeve oefende haar activiteit uit van 1620 tot in 1925. Het was trouwens de oudste leisteengroeve uit Neufchâteau.
De toerist die de vijver en zijn sportcomplex bezoekt, zal niet nalaten de oude molen 'Klepper' te zien, in de wijk le Terme. Wat ooit schorsenmolen, bloemmolen, olie- of tabaksmolen was, en naderhand zagerij, elektriciteitsgenerator, en spinnerij, is nu na een grondige opknapbeurt een cultureel centrum voor de studie van de rivierfenomenen. Heropgericht na een brand in 1858, aan de oevers van de vijver Bergh, bestaat het uit twee gebouwen, in bepleisterde ruwe leisteen, met omlijstingen in Franse steen, waartussen de waterval van de molen zich bevindt. Beneden vindt men een fraaie brug, van de zelfde periode als de molen zelf, die nochtans bij de renovatie iets van zijn schilderachtige karakter verloren heeft.
(Bron : Maison du Tourisme du Pays de la Forêt d'Anlier)